Jean-Baptiste Rousseau
In de zuidelijke dwarsbeuk, voor de deur naar de sacristie, markeert een steen de begraafplaats van de beroemde dichter Jean-Baptiste Rousseau (“Hier liggen de stoffelijke resten van J.B. Rousseau”). Hij werd in 1741 begraven in de kerk van de Ongeschoeide Karmelieten. Toen deze kerk na de opheffing van de orde in 1796 werd afgebroken, werden zijn stoffelijke resten overgebracht naar de kerk OLV ter Zavel. Zijn graf droeg ooit het opschrift:
“Hier ligt de Illustere en Ongelukkige
Rousseau
Brabant was zijn graf
Parijs zijn wieg.”
Op verzoek van Leopold, de eerste koning der Belgen, en zijn minister van Binnenlandse Zaken, Baron Nothomb, werd boven de grafsteen een cenotaaf opgericht. Het woord cenotaaf komt uit het Grieks (kenos taphos) en betekent letterlijk “lege tombe”. Deze is versierd met zijn buste, een werk van de beeldhouwer Jean Félix Dumortier (1801-1868) uit Tournai. Op het gedenkteken staat:
“Hier werden op 19 december 1842,
in opdracht van Zijne Majesteit Leopold I, Koning der Belgen,
en dankzij de inspanningen van de minister van Binnenlandse Zaken, J.B. Nothomb,
de stoffelijke resten van de dichter
B. Rousseau,
geboren in Parijs op 6 april 1670,
overleden in ballingschap in Brussel op 17 maart 1741.”
Het was hertog Leopold van Arenberg die dit genie van de Franse literatuur, genereus verwelkomde in zijn paleis aan de Zavel. Jean-Baptiste Rousseau was bekend als de Grote Rousseau, om hem te onderscheiden van de andere, thans bekendere figuur (Jean-Jacques Rousseau). De prins van Savoie schonk hem bovendien een jaarlijkse toelage tijdens zijn ballingschap. Deze Rousseau was een gevierd lyrisch dichter, maar gaf zijn vijanden, vaak denkbeeldige, de schuld van zijn mislukkingen. Hij schreef satirische en zelfs vaak lasterlijke verzen over hen. Hij werd in 1712 voor het leven verbannen wegens “het schrijven en verspreiden van onzuivere, satirische en lasterlijke verzen”.
Hij zocht zijn toevlucht in Brussel, waar hij ruzie kreeg met Voltaire, die hij voornamelijk in de residentie van Arenberg ontmoette. In een brief die later zou worden opgenomen in een verzameling die in 1820 in Parijs werd gepubliceerd, verweet hij Voltaire een schandaal dat deze zou hebben veroorzaakt tijdens een mis in deze kerk: “Ik kan het niet laten hier te vertellen hoe ik van zijn [Voltaires] aankomst hoorde. Graaf de Lannoy, die ik ’s middags bij de markies van Prié aantrof, vroeg me wie die jongeman was die hij zojuist in de kerk O.L.V. aan de Zavel had gezien en die iedereen zo had geschandaliseerd met zijn onfatsoenlijke gedrag tijdens de dienst dat de kerkgangers hem er bijna uit hadden gegooid.” Deze toneelschrijver had de gave om met iedereen ruzie te maken.
Na een korte terugkeer naar Frankrijk stierf hij berooid in ballingschap in Brussel. Hij had alles geïnvesteerd in de Oostendse Compagnie, die handel dreef met de Indië en in 1731 werd geliquideerd na de Pragmatische Sanctie van 1713 en het tweede Verdrag van Wenen van 1731.
